Schreef ik mijn vorige blog nog dat onze duiven de roofvogel steeds te snel af waren? Ik had m’n mond moeten houden. Of m’n vingers van mijn toetsenbord, zo je wilt…

Gisteren hadden we onze groep weer buiten  en na verloop van tijd was bijna de hele groep binnen. “Natuurlijk” hadden we ze wel zien ruziën met de vijand, maar het leek erop dat ze hem te snel af waren. Omdat we er 2 misten, kregen we het toch een beetje benauwd. Na een klein uur viel de eerste op de klep en weer een uur later de tweede. En die zag er niet al te best uit. Zijn borst lag helemaal open, aan de flank was helemaal opengereten en ook aan de onderkant zat een groot gat. (Ik zal de lelijke woorden weglaten) 

Met alles wat ik in huis had heb ik getracht de wonden schoon te spoelen om te kijken of ik het kon hechten, dan wel lijmen, maar helaas. Dit was echt niet meer te redden… 

Even later ging Erik het hok op om het hok dicht te maken en ineens hoorde ik mijn naam. Gevolgd met: “Nog een! Maar niet zo erg lijkt het.” Tot hij de doffer van zijn buik hield en het voer op de grond viel. Een gat van 3 cm doorsnee in de krop. Door en door. In de flank een gat en ook de buik weer. Dat ‘niet zo erg’ hebben we snel teruggenomen…. Ook hier gekeken of het te redden was. Nog met Pap overleg gepleegd, maar &@^$&@* dit waren erg 2 op 1 dag… 

Feit is wel dat beide doffers zwaargewond en wel hun weg naar huis vonden! Karakter! En hoe! Maar verdorie. Wat zijn we boos op die stomme roofvogel en wat kunnen we er niks tegen doen. Het is de natuur zeggen ze dan…